![]() |
| Tot aan het begin van de jaren twintig stonden
aan de westgrens van de gemeente Molenaarsgraaf deze watermolens. In de
volksmond werden ze vaak "Giessenmolens" genoemd, en niet zonder
reden. De achterste molens, waar Kees Prins (Middelmolen) en Teunis Brandt
(Zuidmolen) in woonden,
bemaalden namelijk via de Giessendamse Binnenvliet, de polder Giessen Oude
Benedenkerk.
De voorste molen, de Westeindsemolen, waar Klaas Sterrenburg molenaar op was, hield, samen met de
molen bij het tegenwoordige "Molenhoek", de polder Molenaarsgraaf op
peil. In de jaren tussen 1920 en 1930 deed de elektriciteit haar intrede en dat
betekende het einde voor veel molens in de Waard. Het mag een wonder
heten, dat van deze molens er één, die in het midden, de dans is ontsprongen
en er nog steeds staat.
Deze molen, die de "Middelmolen" wordt genoemd, werd
vermoedelijk al gebouwd in 1655. De molen bij de "Molenhoek" werd na
1920 uitgerust met een motor en hij kreeg daardoor zoveel meer capaciteit, dat
hij het, wat de polder Molenaarsgraaf betrof, wel alleen afkon. Hierdoor werd
ook de voorste molen van deze drie overbodig. Hij werd al vlug gesloopt. (tekst en foto overgenomen uit de uitgave "Molenaarsgraaf, Brandwijk en Ottoland in oude ansichten" door M.J.A. de Haan) |